Contenido de sensagent
Publicidad ▼
Investigaciones anteriores en el diccionario :
computado en 0,203s
classificeren, delen, scheiden, segmenteren, splitsen, uitdelen
afscheiden, compartimenteren, delen, distribueren, onderverdelen, opdelen, opsplitsen, scheiden, scheiden van, splijten, splitsen, subcategoriseren, uiteendrukken, versnipperen
afscheiden, afscheid nemen, afsplitsen, delen, opdelen, opsplitsen, rondbezorgen, rondbrengen, smeren, splitsen, spreiden, toedienen, uitdelen, uiteengaan, uiteenrukken, uitsmeren, uitsplitsen naar, uitspreiden, uitstrijken, uitwrijven, van elkaar scheiden, verspreiden, verstrekken, verstrijken, voortwoekeren, wrijven, ronddragen (flamand)
↘ afscheiding, afsplitsing, delen, deling, herindelen, herverdelen, onafscheidelijk, opdeling, scheidbaar, scheiding, separatie, splitsing, staartdeling, uiteengaan, verdeling ≠ bijeenbrengen, bijeengaren, bijeenkrijgen, bijeenrapen, collectioneren, lezen, paren, rapen, samenbrengen, sparen, verenigen, vergaderen, vergaren, verzamelen
de rollen verdelen • eerlijk/gelijk verdelen • gelijk verdelen • het verdelen • in doses verdelen • in drie delen verdelen • in graden verdelen • in partjes verdelen • in vieren verdelen • onder elkaar verdelen • zich verdelen
verdelen; opsplitsen[Classe]
faire passer qqch de soi à qqch ou qqn d'autre (fr)[Classe...]
delen; distribueren; verdelen[Classe]
transmettre, faire parvenir qqch à qqch ou qqn (fr)[Classe]
onderdeel; gedeelte; portie; aandeel; pak; pakket; part[ClasseHyper.]
brok; brokje; homp; hompje; klomp; klompje; stuk; stukje; brokstuk; eindje; flard; snipper[Classe]
item[Classe]
erfgerechtigde; erfgenaam; erfgename; ambtsopvolger[Classe]
(delen; distribueren; verdelen)[Thème]
ensemble (fr)[Caract.]
(simultaneïteit; gelijktijdigheid)[Caract.]
factotum (en)[Domaine]
UnilateralGiving (en)[Domaine]
economy (en)[Domaine]
Sharing (en)[Domaine]
doteren, geven, gunnen, schenken - allocatie, stadstuin, toekenning, toewijzing, verkaveling, verlening, volkstuin - distributie, distributiewezen, uitdeling, verbreiding, verdeling, verspreiding - deelgenoot, deelhebber, deelnemer, participant - gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Hyper.]
distributive (en) - delen, distribueren, verdelen - kavelen, verkavelen, versnipperen - toewijzen - delen, meedelen - het losmaken - partitive, separative (en) - deelbaar - partitive (en)[Dérivé]
delen; distribueren; verdelen[ClasseHyper.]
diviser en parts et distribuer ces parts (fr)[ClasseHyper.]
uitdelen, uitreiken, vergeven, verschenken, verspreiden, weggeven[Hyper.]
overeenkomst, transactie - aandeel, deel, pak, pakket, part, portie - uitdeling, verdeling - deelgenoot, eter - allocable, allocatable, apportionable (en)[Dérivé]
afscheid nemen[Domaine]
verdelen (v.)
séparer - grouper (fr)[ClasseOppos.]
que l'on peut diviser (fr)[Classe]
matériel (concret) (fr)[Classe]
snijden; knippen; stuksnijden; trancheren; versnijden; beeldsnijden; voorsnijden[ClasseHyper.]
(rate) (en)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
Separating (en)[Domaine]
Artifact (en)[Domaine]
capability (en)[Domaine]
coudre (opérations diverses) (fr)[DomaineCollocation]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - scheiding - bouwconstructie, bouwwerk, constructie, gebouw - systematist, taxonomer, taxonomist (en) - part - aansnijden, afknippen, elkaar snijden, knippen, opensnijden, snijden, verwijderen - aaneenschrijven, aansluiten, instappen, toetreden, toetreden tot, voegen, zich aansluiten bij[Hyper.]
delen, distribueren, opdelen, opsplitsen, scheiden van, verdelen, versnipperen - divisional (en) - compartimenteren, onderverdelen, subcategoriseren - afscheiden, verdelen - afscheiden - delen, segmenteren - afscheid nemen - compartimenteren, delen, onderverdelen, scheiden, splitsen, subcategoriseren, verdelen - carver, cutter (en) - eenmaking, unie[Dérivé]
lumper (en) - ondeelbaar[Ant.]
scheiden van; opdelen; opsplitsen; scheiden; distribueren; verdelen; versnipperen[ClasseHyper.]
factotum (en)[Domaine]
Separating (en)[Domaine]
cambiar físicamente (es)[Hyper.]
deling, groepering, indeling, scheiding, splitsing, verdeling - afscheiding, binnenmuur, scheidsmuur, scheidswand, tussenwand - splitter (en) - split (en) - deelbaar[Dérivé]
beeldsnijden, knippen, snijden, stuksnijden, trancheren, versnijden, voorsnijden[Analogie]
verdelen (v.)
grondgebied; territorium[Classe]
oord; localiteit; lokaliteit; gelegenheid; tent; pl.; stek; stekkie; plek; ruimte[Classe]
zone (généricité) (fr)[Classe]
(ring; cirkel; kring), (omgrenzen; omringen; insluiten; omsluiten; omgeven; omlijnen)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
Artifact (en)[Domaine]
carte géographique (fr)[DomainDescrip.]
GeographicArea (en)[Domaine]
scheiding - bouwconstructie, bouwwerk, constructie, gebouw - gewest, gouw, land, landschap, landstreek[Hyper.]
beschot, binnenmuur, scheidswand, schot, schotwerk, tussenwand, verdeling, verkaveling, wand - partitive, separative (en) - deelbaar - compartimenteren, onderverdelen, subcategoriseren - seccionar, segmentar (es) - afscheiden, verdelen - compartimenteren, delen, onderverdelen, scheiden, splitsen, subcategoriseren, verdelen - dividir en regiones (es) - partitionist (en) - divisional (en) - delen, distribueren, opdelen, opsplitsen, scheiden van, verdelen, versnipperen - afscheiden - zonal, zonary (en)[Dérivé]
compartimenteren, delen, onderverdelen, scheiden, splitsen, subcategoriseren, verdelen[Hyper.]
beschot, binnenmuur, scheidswand, schot, schotwerk, tussenwand, verdeling, verkaveling, wand - afscheiding, scheidsmuur - zone[Dérivé]
verdelen (v.)
begeven, bezwijken, breken, kapotgaan, sneuvelen, stukgaan, uit elkaar vallen[Hyper.]
afbrokkeling, scherfwerking - flard, scherf, vleugelschild - fragment (en) - fragmentation (en) - brok, brokstuk, brokstukken, fragment - fragmentation (en) - fragmentation (en)[Dérivé]
verdelen (v.)
que l'on peut diviser (fr)[Classe]
matériel (concret) (fr)[Classe]
(rate) (en)[termes liés]
factotum (en)[Domaine]
capability (en)[Domaine]
scheiding[Hyper.]
compartimenteren, onderverdelen, subcategoriseren - seccionar, segmentar (es) - afscheiden, verdelen - compartimenteren, delen, onderverdelen, scheiden, splitsen, subcategoriseren, verdelen - dividir en regiones (es) - partitionist (en) - divisional (en) - delen, segmenteren - afscheid nemen - delen, distribueren, opdelen, opsplitsen, scheiden van, verdelen, versnipperen[Dérivé]
gescheiden[Similaire]
ondeelbaar[Ant.]
factotum (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
beschot, binnenmuur, scheidswand, schot, schotwerk, tussenwand, verdeling, verkaveling, wand - partitive, separative (en) - deelbaar[Dérivé]
verdelen (v.)
factotum (en)[Domaine]
Artifact (en)[Domaine]
gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen - scheiding - bouwconstructie, bouwwerk, constructie, gebouw - advocaat, advocate, advokaat, advokate, bepleiter, exponent, fakkeldrager, patroon, pleitbezorger, pleitbezorgster, pleiter, pleitster, representant, strijder, verdediger, verdedigster, vertegenwoordiger, voorstander, voorstandster[Hyper.]
het losmaken - partitive, separative (en) - deelbaar - partitive (en) - compartimenteren, onderverdelen, subcategoriseren - seccionar, segmentar (es) - afscheiden, verdelen - compartimenteren, delen, onderverdelen, scheiden, splitsen, subcategoriseren, verdelen - dividir en regiones (es) - partitionist (en) - divisional (en) - delen, distribueren, opdelen, opsplitsen, scheiden van, verdelen, versnipperen - afscheiden - beschot, binnenmuur, scheidswand, schot, schotwerk, tussenwand, verdeling, verkaveling, wand[Dérivé]
afscheid nemen[Hyper.]
beschot, binnenmuur, scheidswand, schot, schotwerk, tussenwand, verdeling, verkaveling, wand - afscheiding, scheidsmuur - partitionist (en)[Dérivé]
verdelen (v.)
verdelen (v. tr.)
calculer (arithmétique) (fr)[Classe]
(rate) (en)[Thème]
verdelen (v. tr.)
faire avoir un nouveau lieu à qqch (fr)[Classe...]
agencer (fr)[Thème]
verdelen (v. tr.)
contracter (un muscle) (fr)[Classe]
factotum (en)[Domaine]
Putting (en)[Domaine]
Sharing (en)[Domaine]
Motion (en)[Domaine]
IntentionalProcess (en)[Domaine]
expansie, extensie, proliferatie, uitbreiding, vergroting - actie, daad, handeling, verrichting - actie - handgereedschap - dispersión, distribución (es) - desplazamiento (es)[Hyper.]
circuleren, lanceren, pousseren, rondgaan, rondstrooien, rondzeggen, verbreiden - smeren, spreiden, uitsmeren, uitspreiden, uitstrijken, uitwrijven, verdelen, verspreiden, verstrijken, voortwoekeren, wrijven - voortwoekeren - oplossen, rondstrooien, verspreiden - uiteengaan, uiteenjagen, uiteenstuiven, verstrooien, verstuiven - smeren, verbreiden, verspreiden - kavelen, verkavelen, versnipperen - spread (en) - smeren - voortwoekeren - bedruipen, bedruppelen, bedruppen, strooien, verspreiden - oplossen - uiteendrijven, uiteengaan, uiteenslaan - assemblage, collecte, inzameling, lichting, verzameling - cogida, frunce (es)[Dérivé]
factotum (en)[Domaine]
Disseminating (en)[Domaine]
distributie, spreiding, verbreiding, verspreiding - distributiewezen, uitdeling, verdeling - spreader (en) - scatter (en) - reikwijdte[Dérivé]
verdelen (v. tr.)
scheiden van; opdelen; opsplitsen; scheiden; distribueren; verdelen; versnipperen[Classe]
(verdelen; opsplitsen), (splitsing; verdeling; opdeling; scheiding), (deler; erflater; legator)[Thème]
verdelen; opsplitsen[ClasseHyper.]
verdelen (v. tr.)
factotum (en)[Domaine]
Transfer (en)[Domaine]
Separating (en)[Domaine]
change of integrity (en) - gaan, kenteren, keren, lopen, marcheren, veranderen, verlopen[Hyper.]
beweging, omzetting, stroming, translocatie, transpositie, verplaatsing - bewegingsstijl - verhuisbedrijf, verhuizer - verhuizer - beweegbaar, vervoerbaar - movable (en) - afscheiden, afscheid nemen, afsplitsen, delen, splitsen, uiteengaan, uiteenrukken, van elkaar scheiden, verdelen - het losmaken - partitive, separative (en) - deelbaar - partitive (en)[Dérivé]
mover, moverse, trasladar (es)[Cause]
bewegen, doorreizen, koersen, tijgen, voortbewegen[Domaine]
gescheiden[Similaire]
factotum (en)[Domaine]
Separating (en)[Domaine]
bewegen, verplaatsen, verroeren[Hyper.]
scheiding - partitive, separative (en)[Dérivé]
afscheid nemen[Cause]
verdelen (v. tr.)
Publicidad ▼